Namen der Edelen ende Heeren, die in voortijden ít Ballius ampt van Kennemer-landt hebben bekleedt.

Heer Gerrit van Eemskerck, Ridder, Bailliu van Kennemer-landt, omtrent den Jare 1246, werdt van Koningh Willem van Romen, als Graef van Hollandt gesteldt, om den overloop der Briefen te weeren op ít Huys te Eemskercke, nu ít Huys te Marquette genaemt.

Wouter de Vriese, Bailliu van Kennemer-landt, is ghebleven in den strydt opte Drooner-geest op Sint Philiberts daghe de 20 August 1272.

Philips van Duvenvoorde, Bailliu van Kennemer-landt, is by den Memorialist uyt-ghelaten, niet teghenstaende de selve ít privilegie by Grave Floris de Anno 1291 mede gheteyckent heeft, als supra pag. 9 te sien is.

Heer Willem Cuser, B. van Henegauwen ende Hollandt, was Bailliu van Kennemer-landt in den Jare 1332.

Heer Jan van Arckel, Bailliu van Kennemer-landt, ten tijde van Hertogh Aelbrecht, anno 1346.

Heer Jan van Bloemensteyn, Bailliu van Kennemer-landt ende van Vrieslandt, anno 1354.

Heer Herman van den Bossche, Knape, Bailliu van Kennemer-landt ende van Vrieslandt, anno 1361.

Heer Gijsbrecht van Nyenrode, Ridder, Bailliu van Kennemer-landt endeWest-Vrieslandt, anno 1367.

Heer Reynout van Brederoede, Bailliu van Kennemer-landt, poogheden eenighe tot Castricum doodt te slaen, maer misluckt zijnde, namen de vlucht opten Slote van Eemskerck, dies den Hertogh het Slot dede belegghen, onder ít beleydt van Heer Dirck van Polanen, die daer voor lagh elf weken, doen wierde het op genade op-gegeven, ende Heer Wouter van Eemskerck wierdt ghevanghen geset, maer wierde daer nae metten Hertogh versoent, ende kreegh sijn goedt weder, ende sterf anno 1380.

Heer Franck van Borsselen, Bailliu van Kennemer-landt, anno 1380.

Heer Splinter van Loenresloote, Bailliu van Kennemer-landt ende West-Vrieslandt, anno 1384.

Dirck van Santhorst, Bailliu van Kennemer-landt ende West-Vrieslandt, anno 1393.

Floris van Alckemade Herixsoon, Bailliu van Kennemer-landt ende West-Vrieslandt, anno 1398.

Heer Bartholomeus van Raephorst, eerst Rentmeester van Kennemer-Landt, ende na in den Jare 1400, Bailliu van den selven lande.

Jan van Alckemade, Bailliu van Kennemer-landt, anno 1432.

Otto van Egmont, Bailliu van Kennemer-landt, was noch anno 1464 in levenden lijve, blijckende by de rekeninghe.

Heer Jan van Heemstede Gerritssoon, Bailliu van Kennemer-landt, anno 1477.

Heer Jan van Egmondt de Jonge, Heere van Yselsteyn, Bailiu van Kennemer-landt ende van Vrieslandt, anno 1479.

Heer Claes van Assendelft Gerritssoon, Bailliu van Kennemer-landt ende van Vrieslandt, anno 1486.

Willem van Crompvliet, Bailliu van Kennemer-landt, anno 1493

Jan Oom van Wijngaerden, Bailliu van Kennemer-landt, anno 1499

Ysbrant van Wijngaerden, Bailliu van Kennemer-landt, anno 1505.

Pieter van Alphen, Bailliu van Kennemer-landt, hadde ít selve jaerlijcks in pachte, ingheghaen Bannisse 1507, omme vier hondert gulden, te betalen tot twee termijnen, verschijnende Prima Aprilis ende Octobris.

Gerrit van Schoten, Bailliu van Kennemer-landt, hadde ít selve in pachte voor den tyt van drie Jaren, ingaende prima Aprilis 1511, omme vier hondert gulden, te betalen tot twee termijnen, verschijnende prima April, díander helft prima Octobris daer aen volghende, blijckende by de rekeninghe van Crispijn van Bos-huysen, de anno 1513.

Gerrit van Ruyven, Bailliu van Kennemer-landt, anno 1514.

Jan van Alckemade, Bailliu van Kennemer-landt, onder commissie, inhoudende ghereserveerde poincten, anno 1517.

Gijsbrecht van Schoten, Schild-knape, Bailliu van Kennemer-landt, anno 1520.

Ysbrant van Schoten, Bailliu van Kennemer-landt, anno 1524.

Huybrecht van Ruyven, Bailliu van Kennemer-landt, anno 1529.

Heer Joost van Bronckhorst, Ridder, Bailliu van Kennemer-landt, ende Schout van Haerlem, anno 1537. In welckers Commissie ghenoemt werden de voorsz. van Ruyven, ende Jan Jansz. van der Nyenburgh, ende voorts te zweeren, dat hy omme de voorsz. Officien te moghen verkrijgen geen gelt, noch eenghe andere dinghen, hoedanigh die souden mogen zijn: niemanden gheboden, belooft nochte ghegheven en heeft, noch dien bieden, beloven noch gheven, wie dat hy oock zy, noch gheven sal, directelijck noch indirectelijck, noch andersins in eenighe manieren, behalve ende uytghenomen, ít ghene dat men ghewoonlijck is te geven, voor díexpeditie ende depesche, ende dat in handen van die van onse rekeninghe in Hollandt, die wy daer toe committeren, etc.

Johan van Dompselaer, Bailliu van Kennemer-landt in den beginne van den Jare 1549, by resignatie van Heer Joost van Bronchorst.

Pauwels van der Laen Dirckssoon, Bailliu van Kennemer-landt, by resignatie, toe-gestaen uyt oorsake van Dompselaers slechte ende groote swackheydt, te sitten binnen Haerlem, was mede Bailliu van Bredenrode (uytwijsende ít swarte ruyghe Rr.) anno 1551.

David van der Hoeve, werdt Bailliu van Kennemer-landt, ende Brederode, den 17 April 1562, nae inhoudt van ít witte francijne Rr. Folio 31, berustende ter Kamere van Rekeninghe van Hollandt.

Christoffel dí Affonville, werdt Bailliu van Kennemer-landt, ende Brederode den 28 April anno 1570, blijckende by ít voornoemde Rr. Folio 169.

M Gerrit van Berckenrode, wierde Commissie verleent van den Bailliuschappe van Kennemer-landt, by de Heeren van Rekeninge des Graeflijckheydts van Holland opten lesten Januarij 1575 Stilocurix, volghens de appoinctemente van de Heeren Thesaurier Generael, ende de Ghecommitteerde van de Domeynen ende Financien in Hollandt, inhoudende te verantwoorden een vierde part van de civile penninghen, twee derde parten van de criminele die by hem terecht souden werden, ende vijf sesde parten, die door sijn aengeven by den Procureur Generaal berecht souden worden, achtervolgende de Resolutie van de Heeren Staten van Hollandt van date den 25 Octobris 1574.

David Colterman, werdt by resignatie van Reynout de Grebbervan Persijn, den 29 Januarij 1596, Bailliu van Bloys ofte Beverwijck, ende mede by resignantie Mr. Gerrits van Berckenrode, Bailliu van Kennemer-landt den 4 Mey daer aan volgende, sonder dat de voornoemde Colterman gehouden was, gedurende ít leven van de voorsz. Berckenrode van de civile boeten dies aengaande + verantwoorden, ofte eenige pachte te betalen, alsoo de Heeren Staten den selven Berckenrode sulx om redenen hadden vergunt ende geaccordeert. Overleden zijnde, heeft den voornoemden Bailliu de civile boeten, breucken ende amenden metten aenkleven van dien, in pachte ghehadt voor de somma van twee hondert gulden, die nae wierden verhooght op twee hondert vijftigh guldens, ende laetstelijck op twee hondert sestigh ghelijcke guldens, naer inhoudt sijnder Commissie ende Pacht-cedullen daer van zijnde. De voornoemde Bailliu is tot Alckmaer in den Heere gerust den 16 Juni anno 1634, ende aldaer in de groote Kercke begraven.

(Zie voor een genealogie van het Haarlemse regentengeslacht Colterman het blad Gens Nostra, jaargang 60, nummer 1, januari 2005)

Heer Aelbrecht van Schagen , Heer van Schaghen, Schager-koge, etc. werdt Bailliu van Kennemer-landt, den 1 Januarij 1646, ruym ander half Jaer nae ít overlijden van sijn Predecesseur, wiens Stedehouder Johan Damius, door provisionele last van de Ed. Mog. Heeren van de Rekeninghe, den voorsz. Bailliuschappe soo langhe hadde waerghenomen.

    Al-hoe-wel ick ghedacht hadde, de resterende articulen des Memorialiscs, by den anderen aen te roeren, achter de verkiesinghe der Leenmannen van Kennemer-landt, soo werdt echter ít eerste alhier onder des selfs tweede gestelt, om te vertoonen, dat die qualiteyten van een vryen Edelman die Ridder is, met voor noch nae in consideratie hebben ghekomen in ít stellen der Bailliuwen der voorsz. lande, ghelijck uytte bovenstaende lijste blijckt, ende klaerlijck pag.9 lin.2 kan ghelesen werden. Alwaer ter selver tijdt ende in die eygene Hantveste, den Bailliu sich soodanige qualiteyten niet en abscribeert: totten Hofdinghe ghenoegh zijnde te wesen van echten bedde, als supra pag.1 lin.21 ende p. 28 lin. 17 te sien is: maer in ít Graefdinghe, wierde soodanighen in ís Graven stede gherequireert, als boven gheseyt, ende pag. 2 lin. 18 ende pag 28 lin. 7 werdt beschreven; ít welck by den Schrijver niet in achtinghe zijnde ghenomen, ít Graefdinghe metten Hofdinge heeft doen vermenghen, ofte meynen een ende ít selve te zijn, daerse nochtans elcks haer eyghen oorspronck, ende in allen ghevolghe gantsch onderscheydelijck zijn, gelijck de nae-volgende stucken sullen vertoonen.

_________________________________________________________________________________

© 2000  Dť Wintersteijn, Krommenie

Deze pagina is onderdeel van de homepage van: Dť Wintersteijn