Octroy,

Beroerende de Bailliuwen van Kennemer-landt.

    Phillips, by der gratie Godts, Koningh van Castilien, van Leon, van Arragon, van Engelandt, van Vranckrijck, van Navarre, van Napels, van Sicilie, van Majorque, van Sardanie, van de Eylanden Indien, ende vasten lande der zee Oceane, Ertz-Hertoge van Oostenrijck, Hertoghe van Bourgogne, van Lothier, van Brabandt, van Limburgh, Luxenburgh, ende van Gelre, ende Milanen, Grave van Habsbourgh, Vlaenderen, Arthois, van Bourgoignen, Phalz-Grave, ende van Henegouwe, van Hollandt, van Zeelandt, Namen ende Zutphen, Prince van Swabe, Marck-Grave des Heylighs Rijcks, Heere van Vrieslandt, Salijns, Mechelen, van der Stadt, Steden ende Landen van Utrecht, Overyssel ende Groeninghen, ende Dominateur in Asia ende Africa.

    Allen den genen, die deseonse letteren sullen sien: Saluyt: Doen te wetene: Dat wy ontfaen hebben, die ootmoedighe Supplicatie van Pauwels van der Laen, onse Bailliu van Kennemer-landt, gheleghen in onsen Graefschappe van Hollandt, inhoudende, hoe dat het voorsz Bailliuschap berecht, ende die Vyerschare van den selven ghespannen ende ghehouden werdt, met Leen-mannen der voorsz Graeffelijckheydt, die ghehouden zijn ten allen tijden (by den Bailliu des versocht zijnde) Recht ende Justitie te administreren, soo in criminele als civile saken.

    Maer overmidts der Kennemer Hantvesten, onder andere poincten in de selve ghespecificeert, mede comprehendeert sekere clausule: als dat den Bailliu gheen Man en mach weeren van sijn Vyerschare, sijn Leen-mannen daer uyt infererende, dat de Suppliant hen-lieden niet en mach gebieden, noch dat sy gehouden souden zijn tot sijne vermaninge, oock nae voorgaende wete ende citatie aen haers persoons, ofte woonstede ghedaen, te goetduncken.

    Ende alsulcks ghebeurt oock daghelijcks, ende menighmael dat Leen-mannen eenen dagh ofte twee, voor den gesetten ende ghedesigneerden Vyerschare dagh, by den Suppliant gerequireert, ende solemnelijck verdaeght zijnde omme Recht ende Justitie te administreren, hen-lieden sonder noodtsaken absenteren; bysondere als de Suppliant ghevangens te Rechte presenteerende is.

    Ende boven dit, als ist soo, dat de Suppliant al sijn uytterste dligentie ende naerstigheydt doet, om vijf oft ses Leen-mannen by malkanderen te vergaderen, ten eynde de Justitie soo in crimminele als civile saken, ghevordert mochte werden, blijven nochtans onwilligh, het selve te doene. Sustinerende, onghehouden te wesen, te Rechte te sitten, ende Justitie te administreren, ten ware hy hadde volle Colegie van seven Leen-mannen, ende dat sy-lieden seven sterck waren.

    Oock ghebeurt by wijlen, dat eenighe van hen-luyden selfs partye formeel, ofte ten minsten Raedts-luyden ende Consultateurs in der saken zijn, ende voor alsulcks ghesuspecteert werden. Sulcks dat het ghetal van seven, alsdan niet vol en is. Waer door de Suppliant sijne Vyerschare dickwils niet en mach spannen: waer wordt gheconstringeert midts dien, sijn ghevanenen tot onsen ende des Suppliants (doe oock ghehouden es mannen naer ouder ghewoonte t elcken Vyerschare-dagh te bereyden een rijckelijcken maeltijdt) grooten ende excessiven kosten, wederom op doen leggen, ende in gevanckenisse moeten houden: soo dat partye soo wel als de Suppliant dickwils rechteloos blijven. Ende alsoo al het selve tendeert, tot onse groote ende excessive kosten, ende oock van den voornoemden Suppliant, ende principalijcken van den schamelen partyen, die verre van de Vyerschare geseten zijn, dat oock het selve tendeert tot verminderinghe ende vilipendentie van de Justitie, die midts dien geschapen is, gheheel te vergaen, ende gepostponeert te werden: de welcke nochtans, met alder naerstigheydt behoort ghevordert ende gheavanceert te werden.

    Soo heeft den voorsz Suppliamnt, ons ootmoedelijck ghebeden, hem hier inne te willen voorsien, soo wy bevinden souden ter saken behoorende.

    Soo ist, dat wy het ghene voorsz is, overghemerckt, ende hier op ghehadt het advijs van onsen lieven ende getrouwen; eersten ende anderen van onsen Rade ende rekeninghe in Hollandt, dat voorsz Bailliu van Kennemer-landt Suppliant, geneghen wesende t sijnder bede ende begheerte, sonderlingh in vorderinghe van Justitie.

    Hebben gheoctroyeert ende gheaccordeert, octroyeren ende acoorderen uyt onse sonderlinghe gratie midts desen, dat hy ende sijne nakomers Bailliuwen van Kennemer-lant voorsz, in der tijdt wesende, sullen voortaen jaerlijcks tot sekeren prefixen daghe moghen nomineren, veerthien van de bequaemste ende ghepractiseerste Leen-mannen in onsen graefschappe van Hollandt, ende de selfde over feynden aen die van onsen Rade in Hollandt, om by de selve daer uyt ghekozen te werden seven van de bequaemste, de welcke ghehouden sullen wesen t allen tijden tot vermaninge van onsen voorsz Bailliu, inder tijdt zijnde, te compareren, ende met hem Recht ende Justitie helpen administreren, midts elck ghenietende voor hare comparartie acht stuyvers Brabandts.

    Ende in den ghevalle, yemandt van de voorsz seven ghekozen Mannen absent, sieck, notelijck geoccupeert, oft van eenige van de partyen maegschap oft swagerschap ware, dat de voorsz Bailliu, in der tijd wesende, als dan in der plaetse van dien, sal mogen nemen ende surrogeren eenen anderen, uyt de reste van de voorsz veerthien eerste ghenomineerde Persoonen.

    Wel-verstaende, dat onse voorsz Bailliu niet en sal mogen repelleren andere Leen-mannen van onse voorsz Graeffelijckheyt, komende ongheroepen ter Vyerschare; ten ware sy in de saecken die dienen sullen, geconsulteert hadden, partye maegh-rael, Swagers, ofte notoirlijck suspect waren: En sal oock niet gehouden zijn de selve ongeroepen Persoonen voor heure comparitie yet te betalen.

    Behoudelijck oock, dat onse voorsz Bailliu in der tijdt zijnde, in saken hem, ofte sijne boeten aengaende, niet en sal mogen Vyerschare houden met Leen-mannen, mede Bailliuwen wesende, maer sal in plaetse van de selve Bailliuwen, eenen anderen uyt de voorsz veerthien Persoonen moghen surrogeren.

    Ende dat hy oock, gene diffinitive vonnissen, noch niemandt ter banck en sal mogen doen wijsen oft legghen, dan ten minsten met seven Leen-mannen. Ende gheen interlocutoire vonnissen, dan ten minsten met vijf der selver Leen-mannen.

    Ontbieden daeromme ende bevelen, den voorsz van onsen Rade ende Reken-kamere in Hollandt, onsen Leen-mannen aldaer, ende allen anderen onsen Rechteren, Justicieren, Officieren ende Ondersaten, wien dit aengaen ofte roeren sal moghen, ofte heuren Stedehouderen, ende een yeghelijck van hun bysonder, soo hem toe-behooren sal, daen, laten ende ghedoghen onsen voorsz Bailliu van kennemer-landt, jeghenwoordigh ende toe-komende van dese onse gratie ende octroy, ende van allen inhouden van desen in der voeghen ende manieren vooren verhaelt, rustelijck ende vredelijck, volkomelijck ende eeuwelijck ghenieten ende ghebruycken, cesserende alle beletten ter contrarie, want ons alsoo gelieft.

    Des t oirconde soo hebben wy onsen zeghel, hier aen doen hanghen. Ghegheven in onse Stadt van Brussele den vijfthienden dagh van Junio, in het Jaer ons Heeren duysent vijf hondert ses-en-vijftigh (1556), van onsen Rijcken van Spangien ende Sicilien d eerste, ende van Engelant, Vranckrijck ende Napels het derde. Op de Plijcke stondt gheschreven, By den Koningh in sijnen Rade, ende gheteyckent De Lange.

_________________________________________________________________________________

2001  D Wintersteijn, Krommenie

Deze pagina is onderdeel van de homepage van: D Wintersteijn